Afval-blues

In een interessante documentaire serie onderzocht Teun van der Keuken hoe onze overheid creatieve oplossingen heeft bedacht voor ons afvalprobleem.

Dit is nu eens een mooi voorbeeld van onderzoeksjournalistiek, zoals we dat nodig hebben.

Wil je in kort bestek weten hoe inventief men is geweest, ten koste van ons, ?

(o ja: ‘t is fijn als je aan het eind van dit bericht een reactie achterlaat…)

Jaren terug hebben we in Nederland flink gebouwd: her en der werden grote verbrandingsovens voor afval neergezet.

Wie er ook aan de capaciteit heeft zitten rekenen, er zal zeker niet met scenario’s gerekend zijn.

Wat bleek namelijk al snel: er was een flinke overcapaciteit geïnstalleerd. Uiteraard met subsidie.

Omdat de investeringen nu eenmaal moeten renderen, zijn we als Nederland afval gaan importeren. Daardoor is zo’n 25% van wat de ovens verbranden afkomstig van buitenlands afval, nogal eens  aangevoerd via lange, vervuilende transportlijnen.

Verder is die extra verbranding niet fijn voor onze luchtkwaliteit: echt schoon krijg je de rookgassen natuurlijk niet.

Erger is, dat er na verbranding een akelig restproduct overblijft. Zo’n 20% van de massa. Dat wordt o.m. verwerkt als fundering voor wegen. Waarbij het lang niet altijd aan de milieueisen voldoet. Teun ontdekt dat er in veel gevallen fout spul tussen zit, zoals zware metalen, batterijen e.d.

Een huis- tuin- en keukenpsycholoog had dat kunnen voorspellen:

  • De tussenhandelaren die dit spul van de verbrandingovens ontvangen krijgen daar geld bij, direct als ze het inladen. Hier geldt marktwerking. Wat inhoudt dat je erna als bedrijf dus slim opereert, door zo goedkoop mogelijk van het spul af te komen.
  • Op papier is het allemaal keurig geregeld. Dat wil zeggen: er bestaat een ‘ inspectie-instantie’, een van de uitvoeringsorganisaties van de overheid. Alleen inspecteert die niet, ze stelt alleen de kwaliteitseisen op. De controle vindt plaats door een commercieel bureau.
  • Teun vergat helaas te vragen door wie zo’n bureau betaald wordt. Maar wetend hoe onze overheid zulks regelt: ze worden heus vast betaald door de oven die van het spul af moet. Zo verzeker je dus (g)een onafhankelijke controle…

Verder komt aan het licht dat veel van dit afval door boeren wordt bijgemengd met hun mest. De boeren is voorgehouden dat dit een goede manier is om mestoverschot weg te werken. Het wordt op de boerderij in een co-vergister omgezet in energie (biogas, wat natuurlijk heel geruststellend klinkt).

Waarna een restproduct overblijft wat je over het land kunt uitrijden. Alleen bleken de kosten/baten projecties slechts op papier te kloppen. En waar je financieel moet knijpen wordt de commerciële mens creatief. Met als gevolg dat er veel vervuild spul aangeleverd en verwerkt wordt. En uiteindelijk over het land uitgereden.

Ernaast kwam Teun aan de weet dat de opslag van dit soort afval vaak veel grootschaliger gebeurt dan de vergunning voor zo’n opslagbedrijf toestaat. Daardoor ontstaat dan broei en uiteindelijk branden.  Dat bleken in drie jaar tijd zo’n 240 branden te zijn. Waarbij natuurlijk de meest smerige rookgassen de lucht ingaan. Ook hier blijkt dus de inspectie onvoldoende.

Dan is er nog het verhaal van Tata Steel. Bij de productie van staal ontstaan ‘slakken’. Dit heette vroeger afval. Nu hebben we het bijproduct genoemd, daar is een stuk efficiënter van af te komen. Tata Steel geeft de tussenhandel een verplichte trainingsdag over dit ‘bijproduct’. Daarbij moet de tussenhandel beloven (…) dat ze de informatie doorgeven aan degene die het product gaat verwerken. Daarmee heeft Tata Steel aan haar zorgplicht voldaan!

Helaas zitten deze slakken vol ongebluste kalk. Bij storting stuift dat en zorgt voor nare brandwonden bij omwonenden. Bij zulke ongebluste kalk mag beslist geen water komen, want dan worden grond en water vergiftigd. Daarom moet het zo verwerkt worden (als vulling van dijken, geluids- en zichtwallen, etc.) dat er nooit regen- of grondwater bij kan.

Dat gaat dus regelmatig mis, zo blijkt in de praktijk.

Teun’s verhaal gaat verder met ‘recycling’ van plastic. Het behoeft eigenlijk geen betoog meer. De slotsom is dat we geen 50% recyclen, zoals de officiële cijfers luiden. We zitten nog slechts op 30%. En meer is slechts haalbaar als de industriële klanten van plastics grondig gaan saneren in de productportfolio. Zowel in productsamenstelling als in kleur. Dat gaat in tegen het commercieel belang. En hoe lankmoedig en traag onze overheid met zulke situaties omgaat, mag bekend worden verondersteld.

Kortom: naast het ‘grote CO2-verhaal’ bestaan er nog heel andere grauwe situaties, waarbij er nog geen zicht is op adequate oplossingen. En ook hier opereert onze overheid in nauwe samenwerking met ‘de markt’. Lees: lobby. Lees: voorrang aan economische belangen.

Heb je je politieke partij hier al over gehoord?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.